Door Charles, Op don 9 okt 2014 19:11, 0 reacties,    

Tip van de dag: De menselijke beslisser.




(Link opent: .pdf onderzoek van de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid.).

De belangrijkste boodschap van Klucharev en Smidts is dat in de hersens minstens twee systemen voor besluitvorming kunnen worden onderscheiden.

Het deliberatieve systeem is het systeem waaraan we traditioneel denken bij
bewuste, weloverwogen beslissingen. Dit systeem werkt per definitie op het
niveau van het bewuste en is relatief traag.

De menselijke hersens kennen echter ook andere beslissystemen, die tezamen het affectieve systeem vormen. Dit systeem werkt gevoelsmatig en snel, zonder dat we ons ervan bewust zijn. Het is hier dat zich reeds instinctieve reacties en ‘gut feelings’ hebben gevormd, nog vóór het deliberatieve systeem wordt geactiveerd.

Veel fenomenen op het gebied van kiezen en oordelen – variërend van oordelen over rechtvaardigheid tot afwegingen tussen korte- en langetermijnvoordeel – laten zich goed begrijpen in termen van interactie of wedijver tussen deze twee systemen.


En

Wat blijkt? Mensen die deze cases vanachter een smerig en rommelig bureau beoordelen, oordelen aanzienlijk strenger dan mensen die dat doen vanachter een
schoon en opgeruimd bureau; mensen die voorafgaand aan het experiment hun handen niet gewassen hebben, oordelen strenger dan mensen die dat wel gedaan hebben; mensen die gehypnotiseerd zijn om met afkeer op het woord ‘vaak’ te reageren, oordelen strenger wanneer het woord ‘vaak’ veelvuldig voorkomt in de casus dan wanneer dit niet het geval is, enzovoort.
Aan dit cluster van experimenten liggen twee hypotheses ten grondslag. De eerste
s dat het oordeel van mensen niet het resultaat is van een voorafgaand deliberatief proces, maar uitdrukking van een gut reactie (een onderbuikgevoel), een direct en sterk gevoel met een emotionele basis.

De tweede hypothese is dat zulke onder- buikreacties in gang gezet kunnen worden door gevoelens van afkeer en walging op te wekken, bijvoorbeeld door triviale omstandigheden te manipuleren (de toestand van onze omgeving, handelingen als het wassen van onze handen, enzo- voort).
De resultaten van de experimenten bevestigen deze hypotheses. Dit is fascinerend

en verontrustend. Het laat zien dat niet-morele eigenschappen van situaties en
omstandigheden van grote invloed zijn op ons morele oordeel. Daarmee dringt de vraag zich op hoe betrouwbaar onze alledaagse morele oordelen zijn, zeker als een dergelijke beïnvloeding in een relatief eenvoudige proefopstelling al zulke effecten heeft. Alledaagse morele oordelen moeten we immers doorgaans vellen onder tijdsdruk en in onoverzichtelijke en complexe situaties. Worden deze oordelen ook verregaand beïnvloed, of zelfs bepaald, door oorzaken die eigenlijk, moreel gesproken, er helemaal niet toe doen? Daarnaast lijkt het gebrek aan actor-transpa- rantie ook hier zonneklaar. In een ander experiment werd er gemanipuleerd met
geur – een doordringende stank, om precies te zijn.

Geur, vooral stank, is een
opvallend en in het oog (de neus) springend aspect van een situatie. Slechts twee van de veertig deelnemers rapporteerden echter dat zij geloofden dat hun morele oordeel beïnvloed was door de stank tijdens hun beoordeling van de casus (Schnall, Haidt et al. 2008: 1099). Bovendien, mocht ons verteld worden dat ons morele oordeel over een bepaalde kwestie aantoonbaar mede veroorzaakt is door omstandigheden zoals de geur of de toestand van ons bureau, dan zouden we geneigd zijn ons oordeel te heroverwegen. Dat soort van omstandigheden zijn immers geen enkele reden om de beslissing van James om de auto te nemen of vrijwillige seks tussen nicht en neef, in sterkere mate moreel te veroordelen!

Het verontrustende en zorgwekkende aspect van dit eerste cluster experimenten laat zich het beste begrijpen in het licht van een nieuw paradigma dat uit de recente ontwikkelingen in de
gcn -wetenschappen naar voren komt. Volgens dit
paradigma moeten we het idee van onszelf als door en door reflectieve en bewust controlerende wezens laten varen en onder ogen zien dat het meeste van wat we de menselijke beslisser
doen (inclusief onze oordelen en keuzes) zich automatisch en onbewust voltrekt op een niveau dat zich onttrekt aan onze bewuste sturing (Bargh en Chartrand 1999).

Ten gevolge hiervan zijn we gemakkelijk te beïnvloeden en manipuleren,
zonder ons daarvan bewust te zijn
. Dit nadeel heeft ook een voordeel: dergelijke automatische en onbewuste processen stellen ons in staat moeiteloos te functio- neren in een complexe en ingewikkelde wereld. Daarom wordt het paradigma waarmee de recente ontwikkelingen in de
gcn -wetenschappen kunnen worden samengevat, in eigen land, ook wel het paradigma van het ‘slimme onbewuste’ genoemd (Dijksterhuis 2007).

Of, in onderscheid van het freudiaanse onbewuste, het ‘adaptief onbewuste’ of het ‘nieuwe onbewuste’ (Wilson 2002). Anders dan het freudiaanse onbewuste toont het nieuwe onbewuste zich niet slechts zo nu en dan in versprekingen, maar reguleert het onze dagelijkse interactie met elkaar en de wereld diepgaand op een adaptieve en efficiënte manier.
Wat bovenstaande experimenten uit de morele psychologie, tot onze grote schrik, laten zien is dat zelfs wanneer we ruim de tijd hebben om na te denken en er geen omstandigheden zijn die ertoe leiden dat we ons wel moeten verlaten op ons adaptief onbewuste, onze oordelen nog steeds verregaand beïnvloed worden door dit automatische en onbewust functionerende systeem. En dat zónder dat wij er ons van bewust zijn. Dit brengt ons op het tweede cluster experimenten, nauw verbonden met het hierboven besproke
Annotaties:
aanmelden / inloggen